Wijnhuistoren

De Wijnhuistoren is een onderdeel van het door stadsmetselaar Edmond Hellenraet in de jaren 1616 tot 1619 gebouwde Stadswijnhuis. Men heeft gebruik gemaakt van resten van een ouder gebouw op de zelfde plaats. Het bovengedeelte van het torentje is pas in de jaren 1637 tot 1641 tot stand gekomen. Het Wijnhuis is in 1863 gesloopt en vervangen door een gebouw ontworpen door architect D.J. Itz. Het nieuwe gebouw moest gaan dienstdoen als Stedelijk Museum. De Wijnhuistoren is op 27 januari 1920 uitgebrand, omdat een buurman zijn huis in brand had gestoken. Onder leiding van architect S. de Clerq is het gebouw in oude stijl herbouwd. Bij de bevrijding van Zutphen in 1945 is het Wijnhuisgebouw in brand geschoten; hierbij liep ook de toren schade op.

De Beiaard in de Wijnhuistoren

Het carillon van de Zutphense Wijnhuistoren heeft een lange geschiedenis. In 1644 goot François Hemony het eerste carillon voor de in 1625 gebouwde toren. Dit carillon, dat bij een brand in 1920 verloren ging, wordt algemeen beschouwd als het klinkende debuut van de Gebroeders Hemony. Het was de start van de beiaardcultuur in de Gouden Eeuw.
De Engelse klokkengieter John Taylor goot in 1925 een nieuw carillon. De klokken werden bij de klokkenvordering in 1943 door de Duitse bezetter geroofd en zijn nooit teruggekomen.

Na de oorlog kreeg de bekende klokkengieter Van Bergen uit Heiligerlee opdracht van de gemeente Zutphen om een nieuw klokkenspel van 47 klokken te maken voor de Wijnhuistoren. Dit instrument kwam in 1953 gereed. Na ruim 20 jaar was dit instrument tot op de draad versleten en werd een grondige restauratie voorbereid van de toren en het carillon. Voor de klokken ging de actie “Een Ton voor het Wijnhuiscarillon” van start en binnen enkele maanden was het benodigde geld voor het carillon door burgers en bedrijven bijeen gebracht. Bij deze restauratie, uitgevoerd door Kon. Eijsbouts, Klokkengieterij Asten, werden 20 slecht klinkende klokken door nieuwe vervangen. In september 1980 werd het gerestaureerde carillon door stadsbeiaardier Gert Oldenbeuving in gebruik genomen. Bij het afscheid van wethouder Kees Luesink in 2009 werd een Es-klok van ca. 800 kg als 48e klok toegevoegd. Er is nog één originele Hemonyklok. Deze heeft de brand in 1920 overleefd en is in de Tweede Wereldoorlog niet in Duitse handen gevallen. Het is de grootste klok van het carillon en laat elk uur als uurslag van zich horen.